Zoeken naar het alledaagse

In esthetisch opzicht betekent de aardse globalisering de overwinning van het interessante op het ideale. Haar resultaat, de bekend gemaakte aarde, is de bol die als vorm teleurstelt maar als interessant lichaam de aandacht op zich vestigt. Van dat lichaam – en van alle andere lichamen op dat lichaam – alles te verwachten: dat zal de wijsheid van ons tijdperk worden.

Hoe kun je iets beschrijven wat zich eigenlijk aan elke beschrijving onttrekt?

Ja, zo zou het kunnen beginnen, hier, zomaar, op een enigszins moeizame en trage manier, op die neutrale plek die van iedereen is en van niemand is, waar de mensen bijna zonder elkaar te zien langs elkaar heen lopen, waar het leven in het pand, ver weg en regelmatig, weerkaatst wordt. In het begin lijkt de kunst van het puzzelen een kortstondige kunst, een onbeduidende kunst, geheel vervat in een vluchtige samenvatting van de gestalttheorie: het waargenomen object <…> is niet een optelsom van elementen die je allereerst zou moeten isoleren en analyseren, maar een geheel; dat wil zeggen een vorm, een structuur: het element gaat niet aan het geheel vooraf, het is noch recenter, noch ouder, en het zijn niet de elementen die het geheel bepalen, maar het is het geheel dat de elementen bepaalt: de kennis van het totaal en zijn wetten, van het geheel en zijn structuur, kan niet afgeleid worden uit de afzonderlijke kennis van de afgeleide delen…

In 2005 presenteerde Els Dietvorst in Brussel The return of the Swallows, een project dat resulteerde in een reeks kortfilms, een langspeelfilm en een multimediale installatie die ze zes jaar eerder startte in de Anneessenswijk, vlakbij het Brusselse Zuid-station. De Anneessenswijk is een zogenaamde transit-wijk, een stadsgedeelte met bijzonder diverse bewoners die in vele gevallen ontworteld zijn van hun thuisland en hier – al dan niet tijdelijk – een nieuw bestaan proberen op te bouwen. Hoewel ze voor het project intensief samenwerkte met de zwaluwen die ze in elke fase van het scheppingsproces betrok was de eerste bekommernis van Dietvorst niet zozeer het sociaal-artistieke aspect, maar wel haar fascinatie voor het (over-)leven in de geglobaliseerde urban jungle.

Vijf jaar en heel wat projecten, na The return of the Swallows, verliet Dietvorst Brussel en vestigde ze zich op een boerderij aan de Ierse zuidkusten waar ze sindsdien, naast haar artistieke activiteiten, een schapenboerderij uitbaat. 

In 2012 startte ze daar met The black lamb, een multimediaal project in en over haar leefomgeving. Net zoals bij haar Brusselse werken probeert ze alle aspecten van het leven, werken, dromen op het Ierse platteland door middel van films, tekeningen, verhalen, sculpturen tot leven te wekken. Net zoals bij de zwaluwen doet ze dit niet op een romantiserende esthetiserende  manier, maar met een sterke betrokkenheid en in voortdurende interactie met haar reële en fictieve personages. Ook hier lijkt Dietvorst vooral gefascineerd te zijn door hoe mens en dier in interactie gaan met elkaar, met de omgeving en hoe (over-)leven mogelijk is in een intrinsiek vijandige en onaangepaste omgeving.

Een tegenstem zonder alternatief

Beide projecten, die een tijdsboog van vijftien jaar overspannen zijn zowel in hun opzet als in hun methodiek als in hun schaal aan elkaar verwant en kunnen in zekere zin als een diptiek worden opgevat. Meer dan een subjectieve en artistieke representatie van een werkelijkheid, waarbij de kunstenaar op zoek gaat naar zowel dagelijksheid als transcendantie in min of meer extreme situaties (of toch situaties en leefomstandigheden die voor de gemiddelde geïnteresseerde in hedendaagse kunst als extreem overkomen), functioneren die projecten zowel in vorm als inhoud als een metafoor voor een condition humaine die verder rijkt dan de narratieven en individuele verhalen van deze projecten.

Wat opvalt aan deze projecten is dat ze qua vorm multimediaal zijn, ontsloten worden via film, internet, installatie en technologie, en daardoor deel gaan uitmaken van wat door onder meer filosoof Peter Sloterdijk als de samenpersbare ruimte omschreven wordt. Tegelijk behoren de personages en onderwerpen die in de projecten van Dietvorst de hoofdrol spelen, hoe nomadisch ze soms ook zijn, tot de groep mensen die tegelijk het slachtoffer zijn van de toenemende globalisering (politiek en economische vluchtelingen, grootstedelijke problemen, economische globalisering en doorgedreven industrialisering van alle primaire sectoren) en bovendien niet alleen uitgesloten zijn (of lijken) van de “voordelen” die deze globalisering met zich meebrengt maar ook en vooral van de middelen (internet, telecommunicatie, geld, toeristische wereldreizen,…) die van de wereld meer en meer een dorp lijken te maken.

Op een eerste niveau is dat natuurlijk te interpreteren als een artistieke tegenstem: de kunstenaar registreert en toont een microrealiteit die niet alleen het gevolg is van de toenemende snelheid en samendrukbaarheid van de globale ruimte, maar hierdoor ook onderbelicht of verborgen blijft. Ze maakt de toeschouwer bewust, niet van de mogelijkheid, maar van het daadwerkelijke bestaan van een andere realiteit en lijkt een pleidooi te houden om door het miserabelisme heen de schoonheid te ontdekken. 

Een werkelijkheid die haaks staat op het beeld van de ideale samenleving die we dagelijks via media, berichtgeving en reclame ingelepeld krijgen en die we maar al te vaak liever negeren dan omarmen. Tegelijk overstijgt de veelheid van verhalen en beelden die Dietvorst ons presenteert elk clichébeeld over die marginale werkelijkheid door te focussen om individuele verhalen, overlevingsstrategieën, intermenselijke verhoudingen,… Ze werken begrip verruimend en vormen eerder een soort aanvulling dan een correctie op het heersende maatschappijbeeld.

Maar er is meer aan de hand. Dietvorst presenteert immers geen alternatief. Het lijkt erop alsof ze dingen wil tonen zoals ze zijn. Dingen die integraal deel uitmaken van de wereld waarin we leven. Ze produceert geen ideaalbeeld, geen utopisch wereldbeeld, noch een complete dystopie. Met de kracht van de verbeelding en door te focussen op de menselijke verhalen, het leven en het overleven schept Dietvorst een wereld die de onze zou kunnen zijn, waarin we ons herkennen en waarmee we ons tot op zekere hoogte kunnen identificeren. Ze houdt ons een spiegel voor waarin we gemeenschappelijke verlangens, strategieën en verhalen gereflecteerd zien.

Vanuit het eerder aangehaalde contrast echter toont ze vooral beelden en verhalen uit een niet-samenpersbare ruimte. Hetgeen ze toont speelt zich exclusief af op een lokaal micro-niveau. Wat ze toont en hoe ze dit doet getuigt bovendien van een langzaamheid. Het is niet het inzoomen op aspecten die deel uitmaken van onze realiteit, zoals de boom onlosmakelijk deel uitmaakt van het bos, maar wel het tonen van een andere ruimte die tegelijk deel uitmaakt van en tegelijk volledig los lijkt te staan van het grotere geheel.

Er zijn bij het kijken naar het oeuvre van Dietvorst parallelen te trekken met het onderzoek dat bijvoorbeeld Paul Vandenbroeck deed bij het maken van de tentoonstelling Azetta. In deze tentoonstelling, waarbij hij de matrixiale psycho-analyse van de Frans-Palestijnse kunstenares en psychologe Bracha Lichtenberg Ettinger als uitgangspunt gebruikte, ging Vandenbroeck op zoek naar een zuivere vorm van vrouwelijkheid. Door de extreme isolatie van de vrouw in Berberstammen vond Vandenbroeck in de Berbertapijten een bijna zuiver vrouwelijk cultuurproduct.

Dietvorst lijkt in haar werk op zoek te gaan naar zuivere vormen van doodgewone menselijkheid, naar wat – vandaag bijna vervreemdend – alledaags is. Analoog met de methodiek die Vandenbroeck hanteerde, zou het legitiem kunnen zijn om te stellen dat ze dat alledaagse steeds weet te vinden in situaties waarin dit zich in extreme omstandigheden afspeelt. 

In een wereld die steeds sneller draait, en waar het volgende continent slechts één telefoongesprek van ons verwijdert is, toont het werk van Els Dietvorst ons dat hoe klein de wereld ook wordt, we altijd ergens wonen, op één bepaalde en bepalende plaats (fysiek en/of mentaal) verblijven die conditioneert hoe we met elkaar en met de werkelijkheid omgaan. 

Zowel de boer in Ierland als de dakloze vluchteling in Brussel ageert en reageert in het werk van Dietvorst op een directe manier op de onmiddellijke fysieke omgeving en probeert deze op allerlei manieren de zijne te maken en te overleven. Het voert ons onvermijdelijk terug naar de complexiteit van het hier en het nu en toont aan dat globalisering in ideële zin nooit absoluut is.

Opsommen en verzamelen

Een ander opvallend element, tot slot, in het oeuvre van Els Dietvorst is de veelheid aan beelden. Hoewel de tekeningen, films, verhalen en sculpturen een afzonderlijke autonomie lijken te hebben, zijn ze onlosmakelijk met elkaar verbonden en genereren ze pas betekenis ten opzichte van elkaar. 

In zijn magistrale roman uit 1978 beschrijft de Franse auteur Georges Perec op meer dan 500 bladzijden het leven van een de bewoners van een groot appartementsgebouw in Parijs. Elke kamer in het gebouw krijgt een apart hoofdstuk en de lezer wordt op een bijna opsommende manier ingewijd in de details van het dagelijkse leven. Zoals zijn roman La Disparition, waarbij hij geen enkele keer de letter e gebruikt, zou men deze roman ook vooral als een bijzondere stijloefening kunnen zien. 

De bedoeling is echter anders. Zoals de titel aangeeft wil hij de lezer, in een steeds complexer worden en steeds meer gefragmenteerde wereld, een gebruiksaanwijzing, een houvast aanreiken om die werkelijkheid te vatten en te begrijpen. De strategie die Perec hier is die van de gedetailleerde opsomming. De wereld als geheel is vandaag onmogelijk nog te begrijpen. 

Net door de werkelijkheid op te sommen, en daarmee talig, of in het geval van Dietvorst beeldig te maken slaagt de kunstenaar erin om terug grip te krijgen.

De realiteit van de Brusselse zwaluwen, het leven van de dakloze sans papier, de overlevingsstrategieën op het Ierse platteland, zijn niet samen te vatten in één enkel beeld, er is een veelheid nodig van beelden en verhalen en enkel vanuit die veelheid krijgt de kijker terug grip op het gemeenschappelijke alledaagse. 

De enige manier om iets te beschrijven dat zich eigenlijk aan elke beschrijving onttrekt is voor Els Dietvorst de opsomming. Wellicht komt dit dicht bij een essentie in haar oeuvre: ze verzamelt stukken en fragmenten van de wereld en de realiteit waar ze deel van uitmaakt en boetseert, verfilmt, tekent en verhaalt dit in beelden. 

Niet zozeer om de toeschouwer met de neus te drukken socio-economische en culturele mistoestanden, nog minder vanuit de wens om door middel van kunst de wereld te redden, maar wel om aan zichzelf en aan de toeschouwer een houvast te bieden, om orde te scheppen in de chaos en vanuit een opgesomde werkelijkheid een spiegel voor te houden waarin we terug voeling krijgen met het universeel dagelijkse, met het gewone dat in een zotte wereld steeds meer als ongewoon ervaren wordt.

Om tot slot de Amerikaanse theoretica Susan Sontag te parafraseren: De wereld kan inderdaad niet meer worden begrepen (…) Het enige wat men kan doen is de wereld verzamelen. (…) Wij zijn wat wij verzamelen.

Rolf Quaghebeur